In deze module heb je gezien wat antiracisme is: niet alleen tegen racisme zijn, maar er ook actief iets tegenover zetten.
In deze les zoomen we in op één concrete plek waar jij elke dag impact hebt: taal.
We denken vaak dat woorden “maar woorden” zijn. Maar taal bepaalt mee:
-
wie als “normaal” wordt gezien en wie als “afwijkend”;
-
wie bij de groep hoort en wie “de ander” is;
-
wie serieus genomen wordt en wie niet.
Antiracisme begint dus ook bij taal die geen onnodige muren optrekt tussen mensen.
In eerdere lessen hadden we het over stereotypen en vooroordelen. Taal speelt daarin een grote rol. Sommige woorden rasialiseren mensen: ze doen alsof er twee soorten zijn – “wij” en “zij”.
Denk bijvoorbeeld aan woorden als:
-
allochtoon vs. autochtoon
-
mensen met migratieachtergrond
-
“witte scholen” en “zwarte scholen”
-
“probleemwijken”, “achterstandswijken”
Op het eerste gezicht lijken dat neutrale woorden. Maar vaak:
-
maken ze één groep tot de norm – “de gewone Belg”;
-
duwen ze andere groepen in een hokje: de “anderen”, de “vreemden”, de “nieuwkomers”;
-
doen ze alsof een heel diverse groep mensen één blok is.
Zo wordt de samenleving voorgesteld als twee kampen, terwijl de realiteit veel complexer en genuanceerder is.
In een van de sofagesprekken praten we met Sibo (taalkundige en onderzoeker rond racisme en dekolonisering) over de rol van taal.
